In ISO 14020 wordt een aantal algemene principes beschreven die
gelden voor alle vormen van milieulabeling gebaseerd op
productmanagement. De norm onderscheidt drie soorten
ecolabels:
Type I (ISO 14024)
Deze labels worden uitgegeven door overheidsinstanties of door
niet-commerciële private organisaties. De toekenning gebeurt op
basis van uitgangspunten die betrekking hebben op milieucriteria
die de volledige levenscyclus van een product omvatten. Deze
criteria zijn soms volgens de LCA-methodiek.
Voorbeelden van nationaal en internationaal aanvaarde ecolabels
die professionals en consumenten helpen bij het maken van
keuzes:
- FSC-label voor duurzaam geproduceerd hout
- Energieprestatiecertificaat voor gebouwen (via de
EPC-waarde)
- labels op basis van gebouwbeoordelingsmodellen, zoals
Breeam (UK, NL), GPR Gebouw (NL), Greencalc (internationaal) , LEED
(USA) en Valideo (in Belgie). De beoordeling gebeurt meestal via
een scorelijst voor materiaalgebruik, energie- en waterverbruik,
locatie (bijv. zonoriëntatie, beschikbaarheid van openbaar
vervoer), gezondheid (bijv. lichttoetreding) en vervuiling (afval).
Door de scores te wegen volgt er een eindscore. Dit levert
bijvoorbeeld het label 'BREEAM outstanding' op. De eindscore is dan
een duurzaamheidskeurmerk.
Type II (ISO 14021)
Door de producent, toeleverancier of aannemer toegekende labels,
die vaak maar één milieueffect behandelen, bijvoorbeeld de lange
levensduur, de recyclebaarheid, de energiezuinigheid, het
waterverbruik. Labels van type II zijn niet gecertificeerd door een
onafhankelijke instantie en hebben vaak niet meer dan informatieve
en/of commerciële waarde.
Enkele voorbeelden:
- energielabel voor huishoudelijke apparatuur;
- label voor het brandstofverbruik en de emissies van
personenauto's;
- label voor recyclebaar glas;
- keurmerk bewuste bouwers (een aantal aannemers in
Nederland).

Type III (ISO 14024/40)
Deze labels worden getoetst door een onafhankelijke instantie
(peer-review). Meest bekend in de bouw is EPD (Environmental
Product Declaration) een milieuverklaring die kwantitatieve
informatie verstrekt van een aantal milieueffecten (per eenheid
product, bijv. 1 m³ of 1 ton).

Voorbeelden van milieueffecten zijn: global warming (kg
CO2 eq. per ton product), verzuring van het milieu (kg
SO2 eq.) en aantasting van de ozonlaag (kg CFC eq.).
Verder normaliseert de EPD de gegevens over het gebruik van energie
(hernieuwbaar en niet-hernieuwbaar, GJ per ton product), water en
grondstoffen, de hoeveelheid geproduceerd afval (gevaarlijk en niet
gevaarlijk) en emissies naar lucht en water.
In de zogenaamde Product Category Rules (PCR) staan de criteria
voor het opstellen van een EPD. In Nederland is NEN 8006 van
toepassing en heeft de EPD de benaming MRPI gekregen, in Frankrijk
de INIES, in UK de BRE Environmental Profiles. Via CEN Commissie TC
350 wordt gewerkt aan een geharmoniseerde aanpak voor het maken van
EPD's van bouwmaterialen.
Voor portlandcement (CEM I) heeft Cembureau in 2008 op basis van
de gegevens van een tiental cementproducenten een EPD opgesteld en
uitgegeven. Voor de EPD van een betonproduct is o.a. de EPD van de
gebruikte cementsoort nodig. In Nederland en België werken de
cementfederaties aan nationale EPD's voor de meest gebruikte
cementsoorten (dat zijn CEM I, II en III). Hiervoor worden per land
de productiegegevens van de belangrijkste cementproducenten
gebruikt.
Voor de bouwmarkt is het vergelijken van EPD's van
bouwmaterialen complex en veelal niet mogelijk omdat definities,
aannamen en systeemgrenzen kunnen verschillen. De PCR's hebben
namelijk een aantal vrijheidsgraden waaruit gekozen kan worden bij
het opstellen van een EPD. Bovendien is EPD beperkt tot milieu, en
beschouwt het niet sociale en economische aspecten.